Carnaval Het lijkt wat op het boekenbal of op een kleinkunstfestival; een vrouw vermomd als reuzekwal roept steeds: dit is een overval. Een ridder met zijn leenvazal weerstaat een felle schijnaanval van cowboys- wel een twintigtal - met een kartonnen slopersbal. In goud gekleurde overall staat iemand op een piëdstal; als in een wassen beeldenhal beweegt hij niets en niemendal. Men leeft als vóór de zondeval in dit driedaagse interval, als in een parallelheelal, ontstaan bij de beginoerknal. De kleuren van een toverbal omspoelen je in overtal als een enorme waterpoel. Men hoort slechts dronkenmansgelal en af en toe een vuurwerkknal, tezamen met trompetgejoel. Maar woensdag is het overal een vreselijke zwijnenstal: de wereld blijft een tranenboel Hans Moors